Feiten vaststellen bij invordering dwangsommen

29 augustus 2017

Op 3 mei 2017 heeft de Afdeling een voor de handhavingspraktijk belangrijke uitspraak gedaan. In deze uitspraak geeft de Afdeling aan welke eisen zij stelt aan de feitenvaststelling die ten grondslag wordt gelegd aan de invordering van dwangsommen. De Afdeling wijst eerst op haar uitspraak van 13 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW8183), waarin de Afdeling heeft overwogen dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. In die uitspraak heeft de Afdeling daarvoor een aantal eisen geformuleerd. De Afdeling wijst ook op latere uitspraken, onder meer van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2899, waarin de eisen zijn eisen genuanceerd. Omwille van de duidelijkheid overweegt de Afdeling in de uitspraak van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, dat zij de eisen thans als volgt herformuleert:   ‘Aan een invorderingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen.

Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.’

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.