Externe saldering en referentiesituatie (ontwerp) aanwijzingsbesluit

De uitspraak van de AbRvS van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2550 is interessant om twee redenen. Het gaat in deze zaak om een Nbw 98 vergunning voor een uitbreiding van een agrarisch bedrijf waarvoor extern is gesaldeerd met een agrarisch bedrijf dat al een aantal jaren geleden met de bedrijfsvoering is gestaakt. De gebouwen werden gebruikt voor de stalling van caravans.

De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931, waaruit blijkt dat externe saldering in beginsel mogelijk met een milieuvergunning die is verleend voor de referentiedatum en die na die datum is ingetrokken. Niet relevant is of tot het moment van intrekking van de vergunning of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie wordt gesloten, nog vee aanwezig was op het bedrijf. Wel is relevant of het bedrijf op dat moment feitelijk nog aanwezig was (uitspraken van 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9630 en 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:714). Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voor de realisering van een project, is vereist.

De Afdeling overweegt voorts dat appellanten ter zitting hebben betoogd dat de gebouwen aan al jaren worden gebruikt voor de stalling van caravans. De Afdeling overweegt dat deze enkele stelling ter zitting niet leidt tot het oordeel dat het college wat betreft deze locatie er niet van heeft mogen uitgaan dat is gesaldeerd met stikstofdeposities die waren vergund op de referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de milieuvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie.

De tweede reden waarom deze uitspraak noemenswaardig is heeft te maken met een toets aan de beleidslijn die geldt voor Limburgse Natura 2000-gebieden. In deze beleidslijn staat dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor de gebieden die op 10 juni 1994 of nadien als vogelrichtlijngebieden zijn aangewezen, de stikstofsituatie op 7 december 2004 als uitgangspunt mag worden genomen. Uit de beleidslijn blijkt dat onder andere uit de omschrijvingen in het (ontwerp)aanwijzingsbesluit naar voren komt dat in het jaar 2004 voor de in het Natura 2000-gebied “Maasduinen” aanwezige vogelsoorten die afhankelijk zijn van een voor stikstofgevoelig leefgebied, voldoende leefgebied aanwezig was voor het in de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerde aantal paren voor deze soorten. In de beleidslijn is hieromtrent vermeld dat rekening is gehouden met natuurlijke populatiefluctuaties en de reactietijd van het leefgebied op stikstofdepositie. Appellanten hebben zulks niet bestreden.

Uit de passende beoordeling blijkt dat de depositietoename vanwege de gewenste bedrijfssituatie ten opzichte van 7 december 2004 geheel wordt weggenomen door saldering met de afname van stikstofdepositie als gevolg van gehele of gedeeltelijke beëindiging van milieuvergunningplichtige activiteiten op de agrarische bedrijven. Het besluit blijft om die reden is stand.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.