Dienstenrichtlijn: verhuren kamers en boten en rondleiden

De Dienstenrichtlijn maakt opmars in het omgevingsrecht. Begin dit jaar zijn door de Afdeling prejudiciële vragen gesteld over de vraag of beperkingen die in bestemmingsplannen aan detailhandel worden gesteld in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn (ECLI:NL:RVS:2016:75). Deze week zijn er maar liefst twee uitspraken, de uitspraak van de AbRvS van 27 januari 2016, nr. ECLI:NL:RVS:2016:160 gaat over de botenverhuur en de uitspraak van dezelfde datum met nr. ECLI:NL:RVS:2016:168 gaat over de kamerverhuur.

Allereerst de uitspraak over het raamprostitutiebedrijf. De uitspraak gaat over een besluit van de burgemeester van Amsterdam tot het weigeren van twee exploitatievergunningen voor twee raambordelen. De burgemeester had niet het vertrouwen dat de bedrijfsvoering van het raamprostitutiebedrijf zo is ingericht dat wordt voorkomen dat met prostituees strafbare feiten kunnen plaatsvinden.  Onder meer is niet verzekerd dat dat de prostituees zich verstaanbaar kunnen maken in een voor de verhuurder begrijpelijke taal. Volgens de Afdeling had de burgemeester de vergunning kunnen weigeren en is deze maatregel geschikt om het doel van de regeling te verwezenlijken, evenredig en proportioneel.

De kern van de uitspraak over de botenverhuur is de navolgende. De procedure start in 2011 op het moment dat het college van Amsterdam een exploitatievergunning voor het personenvervoer te water wordt geweigerd op grond het feit dat het maximale aantal te verlenen vergunningen is bereikt. Bovendien kan geen uitzondering worden verleend, omdat de sloep waarvoor de vergunning wordt aangevraagd volgens het college geen bijzonder initiatief is en ook het vervoersconcept niet innovatief is. Door appellant is aangevoerd dat het volumebeleid en de wijze waarop het college daaraan uitvoering geeft in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. Het college houdt de markt kunstmatig klein doordat de vergunningen ten onrechte zijn afgegeven voor onbeperkte duur.

Het Hof van Justitie leidt uit de bewoordingen van artikel 11, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn af dat in het geval het aantal vergunningen is beperkt om dwingende redenen van algemeen belang, de geldigheidsduur van deze vergunningen niet onbeperkt mag zijn. Op zich wordt met volumebeleid, doelstellingen nagestreefd die voortvloeien uit dwingende redenen van algemeen belang. Daarmee staat vast dat vergunning niet voor onbeperkte duur worden afgegeven. Het volumebeleid, zoals dat is neergelegd in artikel 2.1, derde lid, van de Regeling, is  in zoverre in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn.

Ook de uitzondering om buiten het volumebeleid om in aanmerking te komen voor een exploitatievergunning haalt de eindstreep niet. De bezwaren richten zich niet tegen de regeling zelf, maar tegen de toepassing ervan.  De Afdeling overweegt dat het college  in de praktijk op een inconsistente en niet inzichtelijke wijze uitvoering geeft aan deze bevoegdheid. Het college handelt daarmee in strijd met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d en g, van de Dienstenrichtlijn, dat voorschrijft dat de criteria duidelijk en ondubbelzinnig, onderscheidenlijk transparant en toegankelijk dienen te zijn. Al langere tijd werd in de media aandacht voor dit laatste probleem gevraagd,  volgens de media was duidelijk dat exploitatievergunningen voor rondvaartboten in Amsterdam willekeurig werden verleend. Ondanks de bijzondere situatie die in deze uitspraak aan de orde was, verwacht ik  dat hier nog niet het laatste woord over is gezegd, en de uitspraak veelvuldig in andere procedures zal worden aangehaald.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.