Conclusie AG: verdeling schaarse vergunningen

Op 25 mei 2016 heeft Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven een conclusie genomen over de vraag hoe schaarse vergunningen verdeeld moeten worden (ECLI:NL:RVS:2016:1421). De vergunning, die in de onderliggende zaak centraal stond, betrof een exploitatievergunning voor een speelautomatenhal.

In de conclusie worden de volgende vragen van de voorzitter van de AbRvS behandeld:

  • Bestaat er een rechtsnorm op grond waarvan het bestuur bij het verdelen van schaarse vergunningen gegadigden in de gelegenheid moet stellen om mee te dingen naar de beschikbare vergunningen;
  • Zo ja, hoe moet het bestuur de gegadigden daarvan op de hoogte stellen, welke procedure moet gevolgd worden, hoe moet het bestuur rekening houden met verschillende aanvragen en hoe moet het bestuur informatie daarover verstrekken.

De A-G concludeert dat er naar Nederlands recht een rechtsnorm bestaat, die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte wordt geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het formele gelijkheidsbeginsel, het beginsel van gelijke kansen.

Deze rechtsnorm sluit geen enkele verdelingsprocedure uit, ook niet de verdeling op volgorde van binnenkomst. Dit is alleen anders als wettelijke voorschriften zich tegen een bepaalde vorm van verdeling verzetten. Hoewel het bestuur in beginsel vrij is in het bepalen welke verdelingsprocedure wordt toepast, moet het bestuur – ten einde het beginsel van gelijke kansen te respecteren – wel een ‘passende mate van openbaarheid’ garanderen met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria.

De eis van ‘passende mate van openbaarheid’ stelt volgens de A-G specifieke eisen aan (I) de tijdige verstrekking van de informatie, (II) de adequate bekendmaking van de informatie en (III) de duidelijke, precieze en ondubbelzinnige formulering van de verdeelregels.

Als het bestuur de verdeelprocedure tijdig en adequaat heeft bekendgemaakt, gelden bij de toepassing ervan de volgende eisen:

  • Het bestuur moet de verdelingscriteria voor schaarse vergunningen gelijkelijk toepassen op alle aanvragen en mag daarvan in het individuele geval niet afwijken, ook niet als deze criteria zijn geformuleerd in een beleidsregel. Deze eis vloeit voort uit het formele gelijkheidsbeginsel;
  • Als het bestuur de keuze voor een bepaalde verdelingsprocedure bekend heeft gemaakt, is het overstappen op een andere verdelingsprocedure niet meer mogelijk. Ook deze eis vloeit voort uit het formele gelijkheidsbeginsel;
  • Het bestuur kan schaarse vergunningen in beginsel niet voor onbepaalde tijd verlenen. Deze eis vloeit voort uit het materiële gelijkheidsbeginsel en voorkomt dat de ‘uitverkoren’ vergunninghouder onevenredig wordt bevoordeeld. Bij schaarse vergunningen voor een economische activiteit zijn afwijkingen van deze eis niet goed denkbaar. Bij andere schaarse vergunningen kan onder omstandigheden afwijking worden gerechtvaardigd door het beginsel van rechtszekerheid.

Tot slot concludeert de A-G dat zowel het Unierecht als het nationale recht – onder voorwaarden – een uitzondering kunnen maken op de verplichting om bij de verdeling van schaarse vergunningen potentiële gegadigden op enigerlei wijze reële mededingingskansen te bieden. Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.