Bouwen, projectafwijkingsbesluit, ruimtelijke verordening

In de uitspraak van de AbRvS 18 maart 2015, nr. 201308563/3/A1 komt de  vraag aan de orde of het bouwen van een schapenstal de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Laag Holland aantast. De uitspraak is opgenomen om nog eens het signaal af te geven hoe vaak het mis gaat met de toetsing van besluiten aan de provinciale verordeningen. Maar, daarnaast ook als voorbeeld hoe met een goede motivering schijnbaar tegengestelde belangen toch te verenigen zijn.

In de tussenuitspraak van de AbRvS 23 juli 2014, nr.  201308563/1/A1 kwam de Afdeling tot de conclusie dat het projectafwijkingsbesluit in strijd was met artikel 22 van de Provinciale Verordening van de provincie Noord-Holland. De gemeenteraad was van mening dat de nieuwe schuur die een oppervlakte heeft van 640 m² de openheid van het landschap niet zou beperken omdat deze een bestaande schuur verving. De bestaande schuur was echter veel kleiner, circa 55 m². Niet onverwacht deelde de Afdeling deze mening niet. Daarom moest door de gemeenteraad alsnog worden bepaald of met het project voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke kernkwaliteiten, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, aanhef en onder d, van de Provinciale verordening 2014.

In deze uitspraak buigt de Afdeling zich over de nieuwe motivering. Gelet op de signaleringsfunctie van de omgevingsflits gaat het te ver om de uitgebreide motivering hier diepgaand te bespreken. Maar, de Afdeling vindt de motivering van de gemeenteraad voldoende. Uit het onderzoek dat aan het nieuwe besluit ten grondslag is gelegd, volgt dat de openheid niet significant wordt verstoord, gelet op de hoogspanningsleiding, de opgaande begroeiing en de aanwezige (agrarische) lintbebouwing in de onmiddellijke nabijheid van het perceel en er gekozen is voor natuurlijk kleur- en materiaalgebruik en een niet opvallende vormgeving. Uit de stukken volgt verder dat begrazing door schapen ertoe zal leiden dat verruigd gebied met hoge begroeiing verdwijnt en een open, kruidenrijk grasland ontstaat, geschikt voor weidevogels.

Tot slot is relevant dat de appellant tegen het nieuwe besluit nieuwe beroepsgronden heeft ingediend. De Afdeling maakt daar korte metten mee. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, besluit de Afdeling dat na de tussenuitspraak geen nieuwe beroepsgronden kunnen worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.