Bewijslastverdeling permanente bewoning recreatiewoning

In AbRvS 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1711) is een aantal interessante overwegingen te lezen over de ‘bewijslastverdeling’ in geval van het in strijd met het bestemmingsplan permanent bewonen van een recreatiewoning. De hoofdregel is dat het op de weg van het bestuursorgaan ligt om de feiten vast te stellen voor het vermoeden dat de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan permanent wordt bewoond. Vervolgens is het aan aangeschrevene om dit vermoeden te ontkrachten. Doet aangeschrevene dit niet of onvoldoende, dan mag de rechter in beginsel uitgaan van de juistheid van het vermoeden. Als betrokkene volgens de Basisregistratie Personen (BRP) op een ander adres staat ingeschreven, is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de betrokkene niettemin hoofdverblijf heeft in de recreatiewoning. Het feit dat betrokkene op een ander adres dan de recreatiewoning staat ingeschreven en op dat adres niet over zelfstandige woonruimte beschikt, is een aanwijzing dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Ook het feit dat een recreatiewoning in aanmerking is gebracht voor hypotheekrenteaftrek, draagt bij aan het vermoeden dat de recreatiewoning permanent wordt bewoond. In de situatie die in deze uitspraak speelt, heeft het college de overtreding gebaseerd op:

  • verklaringen van betrokkene zelf,
  • het feit dat op het BRP-adres vier volwassenen en twee kinderen stonden ingeschreven, en aangeschrevene hier geen zelfstandige woonruimte had,
  • het feit dat aangeschrevene geen huur of andere bijdrage voor de woonruimte op het BRP-adres betaalde,
  • verklaringen van de hoofdbewoner van het BRP-adres dat aangeschrevene (slechts) twee keer per week daar verbleef,
  • 16 controles bij de recreatiewoning, waarvan de recreatiewoning 14 keer een bewoonde indruk maakte,
  • 2 controles bij het BRP-adres, waarbij aangeschrevene niet is aangetroffen, en
  • het feit dat de recreatiewoning over de jaren 2011-2013 voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking is gebracht.

Gelet op het voorgaande – en gelet ook op het feit dat aangeschrevene deze feiten niet heeft ontkracht – heeft het college in dit geval de vereiste feiten volgens de Afdeling voldoende vastgesteld voor het vermoeden dat de recreatiewoning permanent werd bewoond.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.