Beoordeling vergunningvrij bouwwerk naar moment bob

 

De uitspraak van de AbRvS van 4 februari 2015, nr. 201400181/1/A1, heeft betrekking op een last onder dwangsom die is opgelegd ter verwijdering van een aanbouw. Voor de aanbouw is in het verleden een vergunning verleend, maar de gerealiseerde aanbouw is daarmee niet in overeenstemming. In de procedure over de last onder dwangsom komt de vraag aan de orde of de aanbouw (op basis van het huidige recht) nog wel vergunningplichtig is.

Art. 2, aanhef en derde lid, onder d en e, Bijlage II van het Bor bepaalt dat geen vergunning is vereist als sprake is van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, mits niet voorzien van dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte en het achtererfgebied daarmee niet voor meer dan 50% is bebouwd. Waar in de procedure bij de rechtbank vooral wordt gediscussieerd over de vraag of wel aan het bebouwingspercentage van 50% van het achtererfgebied wordt voldaan, komt in hoger beroep bij de Afdeling (ook) de vraag aan de orde of de aanbouw voorziet in een dakterras of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

De Afdeling stelt vast dat het dak van de aanbouw ten tijde van de beslissing op het bezwaar toegankelijk was via de deur in het hoofdgebouw, hetgeen betekent dat de aanbouw op dat moment voorzag in een dakterras of andere niet op de grond gelegen buitenruimte. Nadien is dit veranderd, doordat de toegangsdeur naar het dak ontoegankelijk is gemaakt.

De Afdeling overweegt dat de feitelijke situatie ten tijde van de beslissing op bezwaar bepalend is. Dit betekent dat het college van B&W aan zijn beslissing op bezwaar ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat er sprake was van een vergunningvrij bouwwerk.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique.


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.