Belanghebbende bij last onder dwangsom

De uitspraak van de AbRvS van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2680, ziet op een last onder dwangsom die strekt tot afbraak van een zonder omgevingsvergunning opgericht gebouw en het staken van het gebruik van dat gebouw als recreatiewoning. De last is opgelegd aan de eigenaar van het gebouw. Tegen het dwangsombesluit wordt niet alleen door deze eigenaar een bezwaarschrift ingediend, maar ook door diens vader die het aan hem heeft verkocht. Het bezwaar van deze vader wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij volgens het college geen belanghebbende is. In de procedure rijst de vraag of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht is. Vader meent wel degelijk belanghebbende te zijn, omdat hij eigenaar is van de woning naast het gebouw en toestemming van zijn zoon heeft om het gebouw te gebruiken. Dit maakt hem echter volgens de Afdeling niet tot belanghebbende bij het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Dit belang vloeit namelijk slechts voort uit een afspraak met de zoon, loopt parallel met het belang van die zoon en is om die redenen een afgeleid belang, dat niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is. De omstandigheid dat vader eigenaar is van de woning naast het gebouw kan voorts niet tot een ander oordeel leiden, nu voor vader uit het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom geen verplichtingen voortvloeien.

Noemenswaardig is verder dat de Afdeling meent dat het college ten tijde van de primaire oplegging van de last terecht ervan heeft kunnen uitgaan dat het gebouw geschikt werd gemaakt om te gebruiken als woning of recreatiewoning. Dat gebruik is in strijd met de geldende woonbestemming, zodat het gebouw niet vergunningvrij was op grond van art. 2 of 3 van bijlage II Bor. Dit lag naar het oordeel van de Afdeling echter anders ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure was herhaaldelijk verklaard dat het niet de bedoeling is het gebouw te gaan gebruiken als woning of recreatiewoning, maar als logeergelegenheid (en opslagruimte) bij de woning van vader. Onder deze omstandigheden kon het college niet vasthouden aan de last die strekt tot sloop van het gebouw. Hierbij is van belang dat gebruik van het gebouw als logeergelegenheid bij de woning van vader niet in strijd is met het bestemmingsplan. Bovendien is bij dat gebruik mogelijk sprake van een omgevingsvergunningvrij geval als bedoeld in artikel 2, derde lid, of artikel 3, eerste lid, van bijlage II bij het Bor.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.