Bekendmaking besluit HG en behoefte; enquête

De uitspraak van de AbRvS van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2892 heeft betrekking op het bedrijventerrein Bruchterweg – Nieuwe Haven in de gemeente Hardenberg. In de zaak zijn twee besluiten aan de orde: het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan, en het besluit van het college waarbij hogere geluidgrenswaarden voor 17 woningen binnen het plangebied zijn vastgesteld.

De uitspraak bevat allereerst interessante overwegingen over de wijze waarop een besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden dient te worden bekendgemaakt.

Het besluit in kwestie is bekend gemaakt op de gemeentelijke website en door publicatie in een huis-aan-huisblad. De Afdeling overweegt dat het college aldus het besluit niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, nu bekendmaking van het besluit hogere waarden dient te geschieden (overeenkomstig art. 3:41 Awb) door toezending of uitreiking. Nu het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de beroepstermijn nog niet aan gevangen, zodat er ook nog geen beroep kon worden ingediend.

De vraag rijst dan vervolgens nog of het (premature) beroep toch-ontvankelijk is op grond van art. 6:10 Awb. Ook dat is niet het geval, nu deze bepaling volgens eerdere rechtspraak (AbRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:491) alleen ziet op de situatie waarin het besluit nog niet is bekendgemaakt, maar zeker is dat bekendmaking binnen afzienbare tijd alsnog zal plaatsvinden, zodat dan de beroepstermijn aanvangt. Die situatie doet zich hier volgens de Afdeling niet voor.

Het beroep tegen dit besluit is dan ook niet-ontvankelijk. Appellant zal moeten wachten op de juiste wijze van bekendmaking, waarna het besluit alsnog in rechte kan worden bestreden.

Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ziet onder andere op de uitbreiding van de bestaande geluidzone waarin het plan voorziet. Aangevoerd wordt dat er geen concrete plannen bestaan voor uitbreiding of nieuwvestiging van bedrijven. De raad voert in dit kader aan dat de gewenste toekomstige ontwikkelingen zijn gebaseerd op een enquête onder bedrijven in 2008. De Afdeling oordeelt dat de raad hiermee onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er in de toekomstige situatie en vraag naar geluidruimte ontstaat die maakt dat de grenswaarden op de bestaande geluidzone worden overschreden. Hierbij is van belang dat bij die vraag onvoldoende concrete en onzekere toekomstige ontwikkelingen als uitgangspunten zijn genomen en niet is gebleken van concrete initiatieven. Ook heeft de raad ten onrechte niet onderzocht welke mogelijkheden er binnen de vergunde geluidruimte nog bestaan voor uitbreiding of nieuwvestiging van bedrijven.

Voor vragen over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Monique


Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.