Stikstoftoename en overschrijding KDW, cumulatie soortenonderzoek

In de uitspraak van de AbRvS van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2752 gaat het om het inpassingsplan “Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland”. De natuurbeoordeling betreft een belangrijk en uitgebreid onderdeel van deze uitspraak.
Zo komen de gehanteerde uitgangspunten van het stikstofonderzoek in deze uitspraak uitgebreid aan de orde. Ook komt de vraag aan de orde of bij de berekeningen terecht is uitgegaan van een gescheiden aanleg en bouwfase. In dit geval is dat toegestaan omdat het wenselijk is om aan te vangen met bouwwerkzaamheden als het terrein bouwrijp is opgeleverd.

In de passende beoordeling is geconcludeerd dat het voorgenomen plan voor de aanleg en het gebruik niet leidt tot een zodanige toename aan stikstofdepositie dat hierdoor sprake is van significante gevolgen voor de betreffende habitattypen en soorten. Voor een deel hiervan geldt dat uit de meest recente gebiedsanalyses (waarbij het overigens gaat om gegevens uit de monitoring in het kader van subsidiestelsel Natuur en Landschap) blijkt dat de kwaliteit goed is, ondanks een overschrijding van de KDW. Voor een aantal habitattypen en leefgebieden geldt dat de KDW wordt overschreden, de kwaliteit momenteel niet goed is en stikstofdepositie in beginsel een knelpunt vormt voor de kwaliteit van het betreffende habitattype en/of leefgebied. Er is gekeken of het berekende projecteffect zodanig groot is dat hierdoor merkbare significante gevolgen voor de kwaliteit van het betreffende habitattype of kwalificerende soort(en) binnen een leefgebied kan hebben.

Uit de ecologische analyse blijkt dat dit niet het geval is. Het berekende maximale projecteffect is volgens de passende beoordeling verwaarloosbaar (maximaal 0,02 N/ha/jr). De Afdeling accordeert deze werkwijze.
Verder wordt het soortenonderzoek ook uitgebreid onder de loep genomen in deze uitspraak. Noemenswaardig is dat in een cumulatieonderzoek alleen projecten worden meegenomen die op een van dezelfde soorten effect heeft, waarvoor reeds een natuurvergunning is verleend én waarbij het project nog niet volledig is uitgevoerd.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan

cumulatie soortenonderzoek, natuurbeoordeling, stikstofdepositie, Stikstoftoename en overschrijding kdw

Zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming

Ter bescherming van karakteristieke gebouwen tegen sloop stelde de raad van Eemsdelta (Delfzijl e.o.) het bestemmingsplan ‘Facetplan Cultuurhistorie’ vast. Daarin wees de raad o.a. een voormalige steenfabriek aan als karakteristiek pand. De eigenaar, een projectontwikkelaar, stelde daartegen met succes beroep in. De ABRvS wijst in haar tussenuitspraak van 21 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2737) op het algemene uitgangspunt dat ‘een toegekende bestemming niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening als zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming niet mogelijk is’. In dit geval was dat twijfelachtig.

De eigenaar had een rapport overgelegd waaruit bleek dat de hergebruiksmogelijkheden van de fabriek heel beperkt waren door de aanwezigheid van een zigzag-oven, terwijl hoge investeringen nodig zouden zijn, o.a. om het gebouw aardbevingsbestendig te maken. De raad moet daarom de gelegde bestemming beter motiveren.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan

karakteristiek pand, Zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming

Cumulatieve geurhinder in bestemmingsplan

Het grootste bedrijventerrein van Utrecht, Lage Weide, kent veel bedrijven die geurhinder veroorzaken. De raad legde daarom in het bestemmingsplan een contour rond het terrein, waarbuiten de cumulatieve geurbelasting een bepaalde waarde niet te boven mocht gaan. Enkele appellanten betoogden dat deze regeling in strijd was met het wettelijk systeem, omdat dit uitgaat van het normeren van de individuele geurbelasting van bedrijven door middel van een omgevingsvergunning milieu dan wel een melding op grond van het Activiteitenbesluit. De ABRvS erkent in haar uitspraak van 21 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2753) dat er, anders dan bij geluidhinder, geen wettelijke regeling bestaat voor cumulatieve geurhinder, maar wijst erop dat niets zich ertegen verzet om cumulatieve geurbelasting, zijnde een ruimtelijk relevant belang, in een bestemmingsplan te normeren.

Een andere beroepsgrond betrof de norm voor cumulatieve geurbelasting. Geurbronnen kunnen heel ongelijksoortig zijn, van heel aangenaam tot bijzonder onaangenaam, en daarom zou het niet mogelijk zijn ze bij elkaar ‘op te tellen’ tot een norm, die iets zegt over de daadwerkelijke geurhinder. Maar ook op dit punt vangen de appellanten bot. De ABRvS erkent dat de voor het bestemmingsplan ontworpen methode om geurhinder te cumuleren met behulp van een hedonische weging nieuw is, maar constateert ook dat een betere methode dan voor dit bestemmingsplan bedacht, niet voorhanden is. Als middel om de omwonenden tegen geurhinder te beschermen, is de methode daarom aanvaardbaar. Toch sneuvelt de regeling. Enerzijds omdat een geurruimte-boekhouding ontbreekt, waardoor onduidelijk is of toekomstige aanvragen voor nieuwe geurrelevante inrichtingen wel kunnen worden vergund, anderzijds omdat de invoergegevens die aan de berekening van de geurcontour ten grondslag liggen, niet steeds juist zijn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan

Cumulatieve geurhinder in bestemmingsplan, geurhinder, individuele geurbelasting van bedrijven

Parkeren, voorwaarde beschikbaar blijven parkeerplaatsen op particulier terrein

De uitspraak van de AbRvS van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2690 draait om de vraag of het college een omgevingsvergunning voor de verbouw van een gebouw tot 24 appartementen had mogen verlenen, zonder dat wordt voorzien in parkeerruimte voor auto’s op eigen terrein.
Voorafgaand aan deze discussie speelt allereerst de vraag of rekening moest worden gehouden met het feit dat het gebouw voor de aanvraag van de omgevingsvergunning leeg stond. Relevant daarvoor is dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:865) bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten.

Dit houdt in dat slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:3449) is leegstand van een pand gedurende een periode daarbij niet relevant. Dit betekent dat het college niet verplicht was om de parkeerbehoefte van de vroegere groepswoningen voor verslaafden te bepalen door te onderzoeken hoeveel parkeerruimte daarvoor destijds feitelijk in gebruik was. Het mocht aansluiting zoeken bij normen op dezelfde wijze als het voor de parkeerbehoefte van de nieuwe appartementen gebruik heeft gemaakt van normen.

Vervolgens wordt vastgesteld dat de parkeerbehoefte zes parkeerplaatsen bedraagt. De parkeerbehoefte wordt niet op eigen terrein of op de openbare weg, maar op een particulier parkeerterrein opgevangen. De Afdeling acht het van belang dat de blijvende beschikbaarheid van deze parkeerplaatsen wordt gewaarborgd en voorziet zelf in de zaak door een voorwaarde aan de omgevingsvergunning toe te voegen. Deze luidt:
“De 24 appartementen mogen niet in gebruik worden genomen en niet in gebruik blijven als niet gewaarborgd is dat minstens zes parkeerplaatsen op de [locatie 2], of op één of meer andere door het college goed te keuren locaties, beschikbaar zijn voor bewoners van deze appartementen.”

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike.

parkeerbehoefte, parkeren eigen terrein

Normaal maatschappelijk risico: in een reeks van jaren gevoerd beleid

Sinds de uitspraak van de AbRvS van 3 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2402 (Zundert)) beschikken we over concrete handvatten om de omvang van het normaal maatschappelijk risico (NMR) in planschadezaken te bepalen. Daarbij zijn in principe twee indicatoren van doorslaggevend belang:
1.Past de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving;
2.Past de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid.
De uitspraak van de AbRvS van 14 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2678, De Bilt) gaat in op de tweede indicator. Het college van B&W heeft het NMR bepaald op 3%, omdat de ontwikkeling geheel zou passen binnen het in een reeks van jaren gevoerde beleid. De AbRvS gaat hier niet in mee.

De schade wordt in dit geval deels veroorzaakt door het bestemmingsplan Emmaplein Vinkenplein uit 2011 en deels door een omgevingsvergunning die in 2018 is verleend. Vaststaat dat de ontwikkeling paste binnen het Masterplan centrum Bilthoven uit januari 2009. Ten tijde van de vaststelling van het schadeveroorzakende bestemmingsplan in 2011 was dit Masterplan het enige toepasselijke gemeentelijke beleid. Volgens de Afdeling betekent dit dat de ontwikkeling in zoverre niet binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde gemeentelijke beleid paste. Voor zover de ontwikkeling mogelijk is gemaakt door de omgevingsvergunning uit 2018 is dat volgens de Afdeling anders.

Op dat moment in 2018 was het Masterplan wel het gedurende een reeks van jaren toepasselijke beleid. Dat betekent dat de ontwikkeling die door de omgevingsvergunning mogelijk is gemaakt, wel binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde gemeentelijke beleid paste. Omdat de schade – enerzijds veroorzaakt door het bestemmingsplan en anderzijds door de omgevingsvergunning – slechts deels voldoet aan de tweede indicator, is geen NMR van 3% maar slechts 2% op zijn plaats. De Afdeling voorziet zelf in de zaak en stelt het NMR vast op 2% van de waarde van de woning.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Ineke.

nmr, normaal maatschappelijk risico

Bestuurlijk rechtsoordeel

Burgemeester en wethouders van Soest hadden naar aanleiding van een vooroverleg met de eigenaar van een recreatiepark in een brief meegedeeld dat zij onder voorwaarden konden instemmen met een uitbreiding van het park. Daarna legde de exploitant een concept-bestemmingsplan aan het college voor, dat niet voldeed aan de voorwaarden. Het college berichtte  daarop schriftelijk aan de eigenaar dat het niet kon instemmen met het concept. De eigenaar maakte hiertegen bezwaar, maar het college concludeerde tot niet-ontvankelijkheid. Dit omdat sprake was van een bestuurlijk rechtsoordeel en niet van een appellabel besluit.

De eigenaar meende daarentegen dat sprake was van een uitzondering, omdat het voor hem onevenredig bezwarend zou zijn om een formele aanvraag in te dienen en daarvoor veel kosten te moeten maken. In haar uitspraak van 14 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2691) geeft de ABRvS onder verwijzing naar eerdere rechtspraak de eigenaar ongelijk. Het enkele feit dat de eigenaar kosten moet maken voor het opstellen en indienen van de aanvraag is onvoldoende reden om het volgen van deze weg om een appellabel besluit te verkrijgen, onevenredig bezwarend te achten.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan.

bestuurlijk rechtsoordeel, recreatiepark, uitbreiding recreatiepark

Onzorgvuldige weigering bestemmingsplan vast te stellen

Een uitspraak die niet vaak voorkomt en om die reden is opgenomen in deze flits, namelijk de uitspraak dat de raad bij een besluit tot het weigeren een bestemmingsplan vast te stellen de betrokken belangen onvoldoende heeft afgewogen. In de uitspraak van de AbRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2677 gaat het om een verzoek om een bestemmingsplan vast te stellen voor een tweede vrijstaande woning op een perceel in Lutjewinkel. Het college van de gemeente Hollandse Kroon heeft besloten om medewerking te verlenen, het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dat de bouw van de woning mogelijk maakt en de raad voorgesteld om het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen. De raad heeft geweigerd het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen en de aanvraag afgewezen, omdat de beoogde ontwikkeling een mogelijke belemmering vormt voor de bedrijfsactiviteiten van het naastgelegen bedrijf op het perceel. Het belang van dat bedrijf, dat daar al veertig jaar is gevestigd, weegt zwaarder dan het belang van het realiseren van één woning, zo stelt de raad.

De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het naastgelegen bedrijf en de beoogde ontwikkeling circa 20 m bedraagt. De Afdeling stelt verder vast en ter zitting is niet door de raad betwist dat het naastgelegen bedrijf valt binnen categorie 2, dat niet is gebleken van concrete plannen van de ondernemer om de bedrijfsvoering uit te breiden naar categorie 3.1 en dat sprake is van een gemengd gebied. Op grond van de bij de planregels als bijlage opgenomen Staat van bedrijven in samenhang gelezen met de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is daarom een afstandseis van 10 m van toepassing. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarnaar bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek verricht. Onder deze omstandigheden steunt de afwijzing van het verzoek om het ontwerpbestemmingsplan vast te stellen ook niet op een deugdelijke en kenbare belangenafweging. De enkele stelling van de raad dat de belangen van het bedrijf zwaarder wegen dan die van aanvrager is daarvoor onvoldoende.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike.

Onzorgvuldige weigering bestemmingsplan vast te stellen, tweede vrijstaande woning

Geen beroep op het vertrouwensbeginsel, desondanks wel meewegen in belangenafweging

De uitspraak van AbRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2683 is opgenomen, omdat daarin een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gedaan dat doorwerkt in de afweging of een bestemmingsplan mocht worden vastgesteld. Een van de omwonenden van het bedrijventerrein op Zeeburg in Amsterdam beroept zich op het feit dat het college van burgemeester en wethouders haar heeft toegezegd dat het recyclepunt in zijn definitieve vorm overdekt zou worden uitgevoerd.

Uit een diapresentatie van een informatieavond van de gemeente Amsterdam op 28 mei 2018 over de komst van een – in eerste instantie tijdelijk – recyclepunt op het bedrijventerrein en in het bijbehorende verslag, wordt gesteld dat de ambitie bestaat om een overdekt recyclepunt te realiseren. Uit een brief van de wethouder en een brief van de ambtenaar volgt dat van de kant van de gemeente wordt gestreefd naar een overdekking van het nieuwe recyclepunt zoals dat na het realiseren van een tijdelijke voorziening uiteindelijk vorm zal krijgen. Dat blijkt ook uit een opname van de bezwaarschriftencommissie over een door het college verleende omgevingsvergunning voor het recycling punt. Tijdens die bijeenkomst zegt een ambtenaar: “Wel ingepakt met een dak erop, waar ook zonnepanelen bijvoorbeeld op te liggen komen. Met daaromheen functies en letterlijk ook aan de straat functies, dus muren om dat ding heen, die het afschermen. Het wordt veel meer ingepakt“.

Tijdens de zitting van de Afdeling heeft de raad verklaard dat nooit is bedoeld dat het definitieve recyclepunt helemaal overdekt zou worden.

De Afdeling is echter van mening dat namens het college van burgemeester en wethouders ondubbelzinnig is verklaard dat het definitieve recyclepunt in ieder geval grotendeels zou worden overdekt. De woorden “met een dak erop” kunnen immers niet anders worden begrepen. Verder had de mededeling dat het definitieve recyclepunt overdekt zou worden uitgevoerd, een stellig karakter. Er is geen enkel voorbehoud gemaakt, bijvoorbeeld in de zin dat het college zich slechts zou inspannen om te bereiken dat het recyclepunt overdekt wordt uitgevoerd. Maar, deze mededeling kan niet worden toegerekend aan de raad, die het bevoegde orgaan is waar het gaat om het vaststellen van bestemmingsplannen en daarover naar eigen inzicht dient te beslissen.

De Afdeling vervolgt dat ook in het geval een toezegging, andere uitlating of gedraging niet kan worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan, dat niet weg neemt dat er situaties kunnen zijn waarin deze handeling moet worden betrokken bij een belangenafweging. Door de gemeente is stellig de indruk gewekt dat het definitieve recyclepunt geheel of gedeeltelijk overdekt zou worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad dit moeten betrekken bij de belangenafweging die de raad voor de vaststelling van het bestemmingsplan heeft moeten maken. De raad heeft in dit opzicht niet mogen volstaan met de overweging dat het overdekken van het definitieve recyclepunt door milieuregels niet wordt verplicht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike.

bedrijventerrein, belangenafweging, geen beroep op vertrouwensbeginsel, recyclepunt

Mandelige boom evidente privaatrechtelijke belemmering

De uitspraak van AbRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2631 is uitzonderlijk omdat daaruit blijkt dat een mandelige boom, die de realisatie van een aanbouw belemmert, aangemerkt kan worden als een evidente privaatrecehtelijke belemmering.

De Afdeling overweegt onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld AbRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:523, dat slechts sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan de verlening van een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan in de weg staat wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet hoeft te geven, verwezen wordt naar de AbRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2599.

Het bouwplan is voorzien op de eigen grond van de vergunninghouder. Vast staat dat een mandelige meidoorn (als bedoeld in art. 5:62 BW) moet worden verwijderd om de aanbouw te realiseren. Dit betekent dat vergunninghouder alleen met toestemming van de buurman tot verwijdering kan overgaan. Daarnaast zal de bij de perceelsgrens aanwezige hulst de bouwwerkzaamheden mogelijk niet overleven. De buurman geeft geen toestemming voor verwijdering van beide bomen.

Uit de uitspraak blijkt dat een gewijzigd bouwplan is ingediend, waarmee de evidente privaatrechtelijke belemmering wordt weggenomen. Gesteld wordt nog dat het wortelgestel schade oploopt waardoor voor het voortbestaan van de meidoorn moet worden gevreesd, maar dat acht de Afdeling niet evident.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Janike

mandelige boom, Mandelige boom evidente privaatrechtelijke belemmering, realisatie aanbouw

Afzonderlijke bestuurlijke boetes vanwege woningonttrekking?

In de uitspraak van de AbRvS van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2521 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan appellanten ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete van € 24.000,- opgelegd wegens woningonttrekking aan de huizenmarkt als mede-eigenaren van de betreffende woningen. De vraag is of dit terecht is.

De Afdeling heeft in deze zaak aan het college gevraagd om een nadere toelichting te geven op haar verordening. De Afdeling verwijst allereerst naar haar uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3475) waarin is overwogen dat tegen woningonttrekking streng wordt opgetreden omdat de huizenmarkt in Amsterdam onder zeer grote druk staat. Daarmee is het onttrekken van woonruimte op zichzelf genomen een ernstige overtreding en beoogt de boete een afschrikwekkend effect te hebben.

Bij de toepassing van de Huisvestingsverordening wordt wat de eigendom van een woning betreft aangesloten bij de gegevens uit het Kadaster. Uitgangspunt is dat de zorgplicht rust op al degenen die daarin staan vermeld als juridisch eigenaar. In het geval van meerdere natuurlijke personen die gezamenlijk eigenaar zijn wordt aan ieder van hen afzonderlijk de maximale boete opgelegd. In geval van een rechtspersoon of een vennootschap onder firma wordt éénmaal de maximale boete opgelegd, tenzij blijkt van actieve bemoeienis met of kennis van de overtreding bij één of meer vennoten of bestuurders. Niet gebleken is dat het college hiernaar onderzoek verricht. In geval van al dan niet gehuwd samenwonende partners wordt eveneens éénmaal de maximale boete opgelegd. Als appellanten de woning op naam van één van hen of op naam van een vennootschap onder firma hadden gesteld, zou ook éénmaal de maximale boete zijn opgelegd, omdat het college nu eenmaal geen onderzoek doet naar de actieve bemoeienis met of kennis van de overtreding van individuele vennoten.

Het college heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval drie maal de maximale boete wordt opgelegd.

De Afdeling ziet daarin grond om bij de oplegging van de boete aansluiting te zoeken bij de meest vergelijkbare situatie, de vennootschap onder firma, aan wie éénmaal de maximale boete zou zijn opgelegd. De boete zal daarom worden gematigd tot € 8000,- per overtreder. Alle drie treft in dezelfde mate het verwijt dat zij als eigenaar niet aan hun zorgplicht hebben voldaan. Wat de draagkracht betreft gaat de Afdeling ervan uit dat zij zich in dezelfde financiële positie bevinden, nu ter zitting is verklaard dat zij een pand hebben moeten verkopen om de boete te kunnen voldoen.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Susan

Afzonderlijke bestuurlijke boetes vanwege woningonttrekking?, huizenmarkt amsterdam

Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.