Concurrent die zelf illegaal handelt, belanghebbende?

In AbRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1979, gaat het over een verzoek om handhavend op te treden tegen het recreatief verhuren van woningen. Degene die om handhaving heeft verzocht, is als concurrent te beschouwen. Daarbij wordt evenwel het standpunt ingenomen dat deze concurrent daarbij zelf handelt in strijd met wet- en regelgeving. De rechtbank had daaraan de consequentie verbonden dat de concurrent niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

De Afdeling deelt dit oordeel van de rechtbank niet. De Afdeling overweegt in dat kader dat degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, als belanghebbende is aan te merken. Bij concurrenten gaat de Afdeling er in beginsel van uit dat feitelijke gevolgen (zoals omzetverlies) kunnen worden ondervonden indien de concurrent werkzaam is in hetzelfde marksegment en in hetzelfde verzorgingsgebied als de activiteit waarop het besluit betrekking heeft. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is naar het oordeel van  de Afdeling voor de vraag of verzoeker om handhaving in hun hoedanigheid als concurrent als belanghebbende bij het handhavingsverzoek kan worden aangemerkt, niet relevant of hij zelf in strijd met wet- en regelgeving woningen verhuurt voor recreatief nachtverblijf. Van belang is slechts of er feitelijk bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden ter plaatse van de woningen waar de handhavingsverzoeken over gaan.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique

belanghebbende, concurrent zelf illegaal, concurrentiebelang, recreatief verhuren van woningen, recreatiewoningen

Tweede keer bestemmingsplan. Niet opnieuw UOV; geen ingrijpende wijzigingen. Appellanten niet-ontvankelijk want eerste keer geen beroep ingesteld.

AbRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2003. De raad van Bergen (NH) stelt op 28 januari 2021 bestemmingsplan “Watertorengebied” vast. Het maakt o.a. een sporthal en woningbouw mogelijk. Daarvoor was al eerder, in 2018, een bestemmingsplan vastgesteld, maar dat is vernietigd (ECLI:RVS:2019:3095), omdat in de passende beoordeling werd verwezen naar het Programma Aanpak Stikstof. Nu, in 2021, is enkel de verbeelding gewijzigd en er is een passende beoordeling gemaakt om te voldoen aan ECLI:RVS:2019:3095. Verder zijn alleen enkele onderzoeken geactualiseerd.

Appellanten A, B en C hadden tegen dat eerdere plan geen beroep ingesteld.

De Afdeling stelt vast dat voormelde appellanten niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren als gevolg van het besluit van 28 januari 2021 ten opzichte van de positie waarin zij zich bevonden na het besluit van 2018. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen en nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, kan niet worden aanvaard dat door deze appellanten tegen het besluit van 28 januari 2021, dat is genomen naar aanleiding van ECLI:RVS:2019:3095 zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 Awb, alsnog beroep wordt ingesteld. Het beroep van A, B en C, tegen dat besluit moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

En wat vindt de Afdeling van het feit dat afdeling 3.4 Awb niet opnieuw is toegepast? Dat mocht hier. Zij verwijst naar ECLI:NL:RVS:2016:471 en overweegt dat hier de  aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het eerder vernietigde bestemmingsplan naar haar oordeel van de Afdeling naar aard en omvang niet zodanig zijn dat een wezenlijk ander plan voorligt. Weliswaar voorziet het besluit van 28 januari 2021 in een aantal wijzigingen, deels op de verbeelding en deels in de onderbouwing van het plan, maar dit laat onverlet dat het plan nog steeds dezelfde ontwikkeling mogelijk maakt.

De redactie vindt opvallend dat geen aandacht wordt besteed aan de relatief recente regel uit de rechtspraak (Varkens in Nood) dat belanghebbenden die geen zienswijze hebben ingediend, in het omgevingsrecht toch toegang tot de rechter kunnen hebben. Dat is dan blijkbaar toch een andere problematiek dan hier speelt. De belanghebbende moet voor beroepsrecht tegen het tweede besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ook beroep hebben ingesteld tegen het eerste besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, althans als dat tweede besluit terecht is genomen zonder nieuwe inspraak à la afdeling 3.4 Awb.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob

programma aanpak stikstof, tweede bestemmingsplan, uov

Kan vergunningvrij in water worden gebouwd?

AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1914, is relevant vanwege de beoordeling van het begrip ‘erf’. Het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een bootlift bij de sloot in Breukelen. In deze zaak komt ook de vraag aan de orde of de bootlift vergunningvrij kan worden gebouwd.

Volgens de aanvrager voldoet de bootlift aan de eisen voor vergunningvrij bouwen als bedoeld in art. 2 onderdeel 21 bijlage II Bor. Vervolgens speelt de vraag of de bootlift op het erf (als bedoeld in art. 1 bijlage II Bor) bij de woning is voorzien. Een erf wordt in die bepaling omschreven als een “al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.”

In beginsel kan inderdaad het gehele perceel bij een hoofdgebouw als erf worden aangemerkt. Maar gewezen wordt op de uitspraak AbRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:571, waarin is bepaald dat de planwetgever vergunningvrije bebouwing kan uitsluiten door de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw te verbieden. In dit geval is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, met uitzondering van steigers, op gronden met de bestemming “water” verboden op grond van de planregels. Gronden met de bestemming “water” zijn op grond van de planregels bestemd voor onder meer het behoud, herstel en beheer van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Daarmee is het inrichten van dit deel van het perceel ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw niet toegestaan.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike

art. 1 bijlage II bor, bootlift, vergunningvrij in water bouwen

Toepassing “Zandzoom 2019” referentiesituatie bestemmingsplan

In AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1894, gaat het om een bestemmingsplan dat een nieuwe woonwijk met ongeveer 500 woningen mogelijk maakt. In deze procedure hebben verschillende stikstofonderzoeken de revue gepasseerd. In het laatste onderzoek zijn, naast de in het eerste stikstofonderzoek meegenomen activiteiten van zeven glastuinbouwbedrijven, ook activiteiten meegenomen van zes andere in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven. Anders dan in het eerste stikstofonderzoek is nu uitgegaan van 75% kasemissies. Dit komt volgens Antea neer op een exploitatie bij 50% van de kassen als warme kas en een exploitatie als koude kas bij de overige 50% van de kassen. Bij een exploitatie als koude kas vinden er minder kasemissies plaats.

Appellanten stellen dat in de beide stikstofonderzoeken ten onrechte de stikstofuitstoot is meegenomen van glastuinbouwbedrijven die al geamoveerd waren op het moment dat het plan werd vastgesteld. In AbRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960 (“Zandzoom 2019”), r.o. 24.2, heeft de Afdeling uiteengezet onder welke voorwaarden in het kader van de interne saldering activiteiten die beëindigd zijn vóór de gehanteerde peildatum toch kunnen worden betrokken in de referentiesituatie. De eerste voorwaarde is dat onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De tweede voorwaarde houdt in dat uitgesloten moet zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de peildatum. Als derde voorwaarde geldt dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel.

De Afdeling heeft dit beoordeeld voor de zeven glastuinbouwbedrijven die in het eerste stikstofonderzoek zijn betrokken en voor de zes glastuinbouwbedrijven die in het na het STAB-advies uitgebrachte, tweede stikstofonderzoek zijn toegevoegd. De zeven glastuinbedrijven doorstaan de toets, maar dat geldt niet voor de zes glastuinbedrijven omdat niet bekend is of na de verkoop van de gronden aan de gemeente de glastuinbouwactiviteiten in de kassen zijn voortgezet en ook niet of na de sloop van de kassen (andere) stikstofveroorzakende activiteiten op de gronden hebben plaatsgevonden.

Vervolgens gaat het om de emissies van die zeven bedrijven.

De Afdeling is van oordeel dat de raad met de overgelegde foto’s en het rapport “Koopovereenkomsten en bedrijfsinventarisaties, Westmade Noord” waarin van ketelhuizen sprake is, aannemelijk heeft gemaakt dat bij de glastuinbouwbedrijven sprake was van gasgestookte verwarming. Voor de door appellanten op dit punt geuite twijfel ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten.

Over de vraag of die aanwezige gasstookinstallaties in gebruik waren en welke omgang dat gasverbruik had, overweegt de Afdeling als volgt. Het is aan de raad om op dit punt de referentiesituatie zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Daarvoor hoeft naar het oordeel van de Afdeling de raad, niet het exacte gasverbruik per bedrijf te achterhalen, maar mag hij uitgaan van het kengetal uit Aerius-calculator voor glastuinbouw.

De raad heeft niet nader onderzocht welke van de zeven bedrijven koude teelt of warme teelt hadden. De Afdeling is van oordeel dat nader onderzoek op dit punt wel van de raad had mogen worden verwacht. De raad moet namelijk motiveren dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt inhoudende 50% koude teelt en 50% warme teelt een reëel uitgangspunt is.

De Afdeling is verder van oordeel dat voor zover door de raad niet kan worden achterhaald of bij alle zeven glastuinbouwbedrijven warme of koude teelt aan de orde was, hij voor de berekening van de stikstofemissie moet uitgaan van een conservatieve schatting van de verdeling koude en warme teelt.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Susan

glastuinbouw, nieuwe woonwijk, stikstofonderzoek, toepassing "zandzoom 2019" referentiesituatie bestemmingsplan

Handhaving ontbindende voorwaarde in onherroepelijk vergunningvoorschrift. Evidentiecriterium

AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1900, is om meerdere redenen interessant. De zaak gaat om handhaving van een exploitatievergunning. In deze handhavingsprocedure stelt de overtreder de rechtmatigheid van een aan die vergunning verbonden voorschrift ter discussie.

De Afdeling beantwoordt allereerst de vraag of deze vraag nog wel aan de orde kan komen, nu de vergunning onherroepelijk is. De Afdeling overweegt daarover dat vergunningvoorschriften waartegen beroep heeft opengestaan, kunnen worden gehandhaafd zonder dat nagegaan hoeft te worden of die voorschriften rechtmatig zijn vastgesteld. Dat is in het belang van de rechtszekerheid. Op dit uitgangspunt is een uitzondering mogelijk als evident is dat het voorschrift niet gesteld had mogen worden. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan ertoe leiden dat uit de belangenafweging die aan een besluit tot handhaving vooraf dient te gaan, de conclusie moet worden getrokken dat van handhaving van dat voorschrift dient te worden afgezien.

In de deze zaak gaat om dit voorschrift: “De vergunning vervalt wanneer een wijziging is gekomen in de exploitatie van het horecabedrijf, dan wel wanneer de exploitatie is overgegaan op een andere ondernemer.” Het gaat om een ontbindende voorwaarde: als een van de genoemde feiten zich voordoet, dan vervalt de vergunning van rechtswege. Dat betekent dat de vergunning vervalt zonder dat daar nog een handeling van iemand voor nodig is. De vraag is of in een vergunning een dergelijke ontbindende voorwaarde kan worden opgenomen. De Afdeling verwijst dan naar artikel 3:38 Burgerlijk Wetboek (BW), op grond waarvan een rechtshandeling onder een voorwaarde kan worden verricht, tenzij uit de wet of de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit. Dat artikel is gelet op artikel 3:59 BW buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Artikel 3:38 BW is daarmee dus van overeenkomstige toepassing op de vergunning zoals die in deze zaak voorligt. Het is daarom mogelijk om in de vergunning een ontbindende voorwaarde op te nemen.

Dit betekent ook dat het niet evident is dat het voorschrift niet in de vergunning had mogen worden opgenomen zodat in rechte uitgegaan moet worden van de gelding van dit voorschrift.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique

evidentiecriterium, handhaving exploitatievergunning, Handhaving ontbindende voorwaarde in onherroepelijk vergunningvoorschrift

Vangnetkarakter APV

Veel gemeenten hebben in hun APV een regeling opgenomen die ziet op een verbod op het veroorzaken van geluidhinder voor de omgeving. Omwonenden hadden om handhaving van deze bepaling in de APV Den Haag gevraagd vanwege geluidhinder die zij ondervonden van het carillon in de kerktoren van de Grote Kerk in Den Haag (AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1890). Dit carillon bestaat uit 47 klokken die in de spits van de kerktoren hangen. Handhaving op basis van het Activiteitenbesluit is niet mogelijk, omdat geluid van een carillon volgens de Afdeling is aan te merken als onversterkte muziek en dat blijft op grond van art. 2.18 Activiteitenbesluit bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing. De omwonenden meenden dat dan handhaving op basis van artikel 4:6 van de APV dient plaats te vinden. De Afdeling deelt dat standpunt niet. In artikel 4:6 APV is immers bepaald dat het verbod om geluidhinder te veroorzaken niet van toepassing is voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Dat is hier het geval. Het feit dat dit geluid op zichzelf bezien buiten het bereik van geluidsniveaus als bedoeld onder de Activiteitenbesluit vallen, maakt dit niet anders.

Er is dan al met al geen grondslag te vinden voor handhaving tegen de overlast die de omwonenden ondervinden.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Monique

geluidhinder, kerktoren, vangnetkarakter apv

Brouwerseiland. Overeenkomst met gemeente. Vervoersbewegingen en passende beoordeling

AbRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1891. De raad van Schouwen-Duiveland besluit het bestemmingsplan “Brouwerseiland 2020” niet vast te stellen. Het college weigert bovendien omgevingsvergunning voor het realiseren van Brouwerseiland. Het bestemmingsplan zou voorzien in de realisering van recreatiewoningen, hotelvilla’s en centrale voorzieningen.

Voor deze ontwikkeling had de raad eerder een bestemmingsplan “Brouwerseiland” vastgesteld. Dit werd vernietigd in AbRvS 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1399, wegens strijd met artikel 2.8, lid 3, Wnb. Brouwerseiland B.V. wil na deze uitspraak de ontwikkeling nog steeds realiseren.

Brouwerseiland B.V. wijst op de met de gemeente gesloten exploitatieovereenkomst. Artikel 4.6 van die overeenkomst luidt als volgt: “De gemeente zal, voor zover dit in het vermogen van de gemeente ligt, medewerking verlenen aan het starten van een planologische procedure ex artikel 3.1 Wro voor de ontwikkeling van het initiatief. Voorts spant de gemeente zich maximaal in en bevordert dat de door de gemeente te verlenen vergunningen, ontheffingen en toestemmingen met betrekking tot het initiatief, mits de aanvraag van het initiatief naar behoren door de exploitant is ingediend en onverminderd de publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeente, welwillend en voortvarend te behandelen.”

De Afdeling overweegt dat artikel 4.6 alleen de verbintenis bevat om, voor zover dit in het vermogen van de gemeente ligt, medewerking te verlenen aan het starten van een planologische procedure op grond van artikel 3.1 Wro voor de ontwikkeling van het initiatief. Aan deze verplichting is voldaan. De door Brouwerseiland gestelde maximale inspanningsverplichting, of zelfs resultaatsverplichting, om het bestemmingsplan vast te stellen is niet in de exploitatieovereenkomst terug te vinden.

Volgens de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd dat artikel 2.8, lid 3, Wnb aan de vaststelling van het plan in de weg staat. Volgens de raad waren in de passende beoordeling ten onrechte niet de effecten van 329 motorvoertuigbewegingen per etmaal aan niet-emissieloos verkeer beoordeeld. De Afdeling overweegt dat de berekende bewegingen weliswaar niet op het terrein van de geplande ontwikkeling zouden worden toegelaten, maar dat die wel direct en exclusief zijn te herleiden tot de in het plan opgenomen functies. Omdat deze verkeersgeneratie direct en exclusief verband houdt met de toegelaten functies, kan deze niet buiten beschouwing worden gelaten.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob

brouwerseiland, overeenkomst met gemeente, vervoersbewegingen en passende beoordeling

Te laat ingediende hogerberoepsgrond

Niets nieuws, maar goed om toch even te signaleren is de uitspraak van de AbRvS 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1827. In hoger beroep heeft appellant een argument aangevoerd dat niet eerder door hem is aangevoerd. Op 9 februari 2022 werd door de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2022:363 en ECLI:NL:RVS:2022:362 nog eens duidelijk gemaakt dat in het omgevingsrecht beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich in deze zaak niet voor en dus komt de Afdeling aan een inhoudelijke bespreking van de hoger beroepsgrond niet toe.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike

omgevingsrecht beroepsgronden, Te laat ingediende hogerberoepsgrond

Belangenafweging intrekken omgevingsvergunning bouwen

AbRvS 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1835, is opgenomen omdat daaruit blijkt hoe de Afdeling de belangenafweging bij een intrekkingsbesluit toetst. Het college van de gemeente Oost Gelre heeft in 2019 een verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van schuur tot B&B ingetrokken.

De vergunninghouder heeft 7 jaar nadat de vergunning was verleend, gewacht met de start van de bouwwerkzaamheden. De vergunninghouder stelt dat deze vertraging is ontstaan door overleg met het college en perikelen met de aannemer. Duidelijk is dat op grond van art. 2.33 lid 2 Wabo het college bevoegd was tot intrekking. De lijn is dat de rechter vervolgens aan de hand van de beroepsgronden of de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning moeten alle betrokken belangen worden meegenomen en tegen elkaar afgewogen, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:641 en ECLI:NL:RVS:2019:1215.

De Afdeling is van mening dat in dit geval zwaar weegt dat vergunninghouder pas na zeven jaar is gestart met de bouw. Verder blijkt wel dat er overleg is geweest met het college over een wijziging van het bouwplan, maar niet dat concrete afspraken met de gemeente zijn gemaakt op grond waarvan vergunninghouder erop mocht vertrouwen dat het college de omgevingsvergunning niet zou intrekken. Deze gesprekken en ook eventuele perikelen met een aannemer rechtvaardigen in dit geval niet de vertraging van zeven jaar. Verder is weliswaar met de werkzaamheden gestart voor de intrekking, maar die werkzaamheden zijn slechts marginaal. Om die reden alleen al hoefde het college niet af te zien van de intrekking. Bijzonder is dat het college in de belangenafweging ook heeft mogen betrekken dat de isolatienormen in het Bouwbesluit zijn gewijzigd. Het bouwplan voldeed in 2011 aan hogere isolatienormen dan de toen geldende normen, maar inmiddels niet meer aan de huidige isolatienormen uit het Bouwbesluit. Tot slot vindt de Afdeling de nadelige (financiële) consequenties voor vergunninghouder niet onevenredig.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Janike

belangenafweging intrekken omgevingsvergunning bouwen, intrekken omgevingsvergunning, intrekkingsbesluit, wijzigingen bouwplan

Melkgeitenhouderij. Geurverordening en bestemmingsplan. Gezondheid en bestemmingsplan

AbRvS 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1854. Bestemmingsplaan “Paterslaan De Rips” gemeenteraad Gemert-Bakel.

Het plan maakt 43 woningen mogelijk. Een melkgeitenhouderij stelt beroep in. Zij vreest door het plan te worden beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden.

Het plangebied ligt in een concentratiegebied als bedoeld in artikel 1 Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en ligt na verwezenlijking van het plan binnen de bebouwde kom. Op grond van artikel 6, lid 1, onder a, Wgv heeft de raad een geurverordening met afwijkende geurnormen vastgesteld. De raad heeft ook een Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gemert-Bakel 2013 (“Beleidsregel”) vastgesteld. Ingevolge artikel 2 Beleidsregel wordt bij het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen als vertaling van het criterium “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat” voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen – de achtergrondbelasting – een aantal nader genoemde waarden gehanteerd als toetswaarden.

Na vaststelling van het hier bestreden bestemmingsplan concludeert Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant dat het plan geen belemmering oplevert voor de bedrijfsvoering van de melkgeitenhouderij, omdat andere geurgevoelige objecten eerder maatgevend zijn voor de uitbreidingsmogelijkheden dan de in het plan voorziene woningen. Daarnaast is de hoogst berekende voorgrondbelasting op het plangebied als gevolg van de melkgeitenhouderij minder dan 1,5 ouE/m3. Noch overschrijding noch “onderschrijding” van de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm leidt automatisch tot een conclusie met betrekking tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus geparafraseerd de Afdeling (onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2010:BK8369). Maar voor- en achtergrondbelasting voldoen hier aan de normen uit de geurverordening. De raad mocht zich al met al volgens de Afdeling op het standpunt dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geurhinder in het plangebied. Details zie uitspraak.

Volgens de melkgeitenhouderij zal bij de voorziene woningen een onaanvaardbaar gezondheidsrisico bestaan vanwege de omliggende veehouderijen. Zij vreest voor beperking in haar uitbreidingsmogelijkheden. Zij verwijst daarbij naar Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Aspecten van volksgezondheid vormen volgens de Afdeling een mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierenziekten vindt zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.

Hieruit volgt dat de mogelijke besmetting met dierziekten een ruimtelijk relevant belang is. Voorts volgt uit het voorgaande dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft, waarbij het aan de raad is op welke wijze hij de gevolgen voor de gezondheid betrekt (vgl. ECLI:NL:RVS:2020:2391). Hoe pakt dat hier uit? Volgens de plantoelichting bestaat voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen geen landelijk geldend toetsingskader. De toelichting verwijst naar de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Aan de hand daarvan is door De Roever Omgevingsrecht de “Notitie Volksgezondheid I.R.T. Veehouderijen. Paterslaan De Rips” opgesteld. Voor de details is hier opnieuw geen ruimte, maar volgens de Afdeling heeft de raad de gevolgen wat betreft het aspect gezondheid voldoende in kaart gebracht en het besluit in dit opzicht van een deugdelijke motivering voorzien.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rob

aanvaardbaar woon- en leefklimaat, geurnormen in bestemmingsplan, geurverordening en bestemmingsplan, gezondheid en bestemmingsplan, melkgeitenhouderij, veehouderij

Sluit je aan bij de
800+ abonnees 
en schrijf je in voor de
wekelijkse Omgevingsflits:

Volg ons:

© SAM advocaten. powered by Webconfetti.